Lokale kloostergeschiedenis

020 bij tekst 007

UIT DE LOKALE KLOOSTERGESCHIEDENIS

Sint-Odiliënberg – toen Mons Sancti Petri geheten – werd in de 8e eeuw door een van de Frankische Pippijnen, het voorgeslacht van Karel de Grote (768-814) geschonken aan drie Angelsaksische monniken, de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus als thuisbasis voor hun missioneringswerk in de streken tussen Maas en Rijn.

goud-email-cloisonné uit het centrale reliekgraf van de basiliek te Sint Odiliënberg

goud-email-cloisonné uit het centrale reliekgraf van de basiliek
te Sint-Odiliënberg

Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.

Tussen 1058 en 1131 moet het klooster zijn omgezet in een collegiaal kapittel. De proost van dit kapittel, die er overigens niet resideerde, werd door de bisschop van Utrecht benoemd uit de kanunniken van de Utrechtse Dom. De omzetting maakte om liturgische redenen verbouwing  van de kerk noodzakelijk. Vanaf de 11e eeuw werd de huidige romaanse kerk gebouwd. Het nieuwe veelhoekige priesterkoor, dat thans nog bestaat, dateert van omstreeks 1200.

In 1360 of 1361 verzochten de kanunniken aan de bisschop van Luik toestemming het kapittel naar Roermond te verplaatsen. Het bestuur van de stad had de H. Geestkapel als vestigingsplaats aangeboden. Achtergrond van het verzoek waren de woelingen waar het Gelderse Over-kwartier zeer van te lijden had. Men verkreeg de vereiste toestemming, ook van de bisschop van Utrecht, die het recht behield de proost te benoemen. In 1361 werd het kapittel in Roermond gevestigd.

In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwenklooster op te richten”.

In 1436-1437 namelijk kwam de proosdij Denkendorf in Württemberg, die behoorde tot de Orde van het Heilig Graf, in bezit van de Petruskerk. Het H. Geestkapittel van Roermond schonk de kerk aan de proosdij op voorwaarde dat er een klooster van reguliere sepulcrinessen zou worden gesticht.

Een eerste kanunnikessenklooster van het H. Graf in de Nederlanden

 Een eerste poging tot stichting van een kanunnikessen-klooster van het Heilig Graf in de Nederlanden op de kerkberg in Sint Odiliënberg in 1443 bleek onvoldoende levensvatbaar en hield desondanks ca 20 jaar stand.

Kanunniken leggen de basis voor een nieuw begin

In 1465 kreeg de uit Beek bij Bree (B) afkomstige sepulcrijn (sepulcrum = graf) Jan van Abroek (link naar Jan van Abroek, nr. 2.4) toestemming van het H. Geestkapittel op de heuvel een klooster van kanunniken van het Heilig Graf op te richten. Twee jaar later werd hij priester gewijd en in 1471 werd hij prior van de nieuwe stichting. Pas in 1478 werd de priorij definitief opgenomen in de Orde van het Heilig Graf. In de jaren daarna vond een restauratie van de sterk vervallen kerk en kloostergebouwen plaats.

Jan van Abroek ondernam een tweede poging om een zelfstandig Kanunnikessen-klooster te stichten dat wel levensvatbaar bleek. In Sint-Odiliënberg legde de priester-kanunnik Jan van Abroek, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwenkloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.

Het vicariaat van de parochie Sint-Odiliënberg werd in 1482 door het kapittel van de H. Geest aan het klooster overgedragen. Sedertdien bedienden de kanunniken ook de parochiekerk.

In 1485 werd Jan van Abroek benoemd tot provinciaal van het Orde van het Heilig Graf in Neder-Germanië. Een jaar later werd deze benoeming door de paus bekrachtigd. Sint-Odiliënberg werd daardoor het centrum van deze provincie. Sedertdien kwam hier jaarlijks het provinciaal kapittel van de orde bijeen. Verschillende vrouwen- en mannenkloosters zijn in de jaren daarna van hieruit gesticht. Jan van Abroek overleed in 1510 en werd als prior en provinciaal opgevolgd door Hiëronymus van Brogel (1510-1540).

021 bij tekst 007Ten gevolge van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en alle daarmee samenhangende implicaties hield de priorij te Sint-Odiliënberg in 1639 definitief op te bestaan. Het Bisdom Roermond nam hetgeen restte van de gebouwen inclusief schulden en lasten over en benoemde voortaan diocesane priesters tot pastoor van de kerk.

Ten tijde van de contrareformatie bloeiden kerk en parochie  op en werd het oude Petruspatrocinium bij de restauratie van de kerk in 1686 vervangen door dat van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus.

Eind 19e eeuw is de kerk ingrijpend gerestaureerd en tevens vergroot door de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904) en architect J. Kayser. Daarbij werd het interieur gepolychromeerd en werd de inventaris vernieuwd. Hierna werd in 1888 de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van pastoor Michael Willemsen, die zijn pastorie boven op de kerkberg ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H.Grafklooster van het Belgische Bilzen.

In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/1966 was het H. Grafklooster van Sint-Odiliënberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.

Als naam voor de nieuwe zelfstandige priorij werd gekozen voor Priorij Thabor, verwijzend naar en geïdentificeerd met de berg waar Christus vóór zijn lijden voor de ogen van zijn Apostelen van Gedaante veranderde.

De naam wortelt sterk in de plaatselijke traditie: 12e-eeuwse zandstenen reliëfs van de Thabor-apostelen op de kerkberg in 1879 opgegraven getuigen van de vroege associatie van de solitair gelegen kerkberg langs de Roer met de Berg van de Gedaanteverandering in het Heilige Land.
Tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg.