Schietgebeden voor en na de Latijnse les

school

Spiritus sancti gratia

illuminet sensus et corda nostra

 

Vertaling (letterlijk)

De genade van de Heilige Geest

verlichte onze zinnen (zintuigen) en onze harten.

 

Opmerking

Het bezittelijk voornaamwoord nostra kan zowel  voor sensus als voor corda gelden.

 

Gratia, æ vr.                     genade

Spiritus, -us m.                 geest, Geest (4e declinatie waarvan de nominativus en de                                                genetivus op us –eindigen. (bv ook fructus)

sanctus, a, um                  heilig(e)(e)

illuminet                           3e pers. præsens enkelv. coniuntivus van het ww illuminare  =                                         verlichten

sensus, us m.                    zintuig , gevoel etc.

Sensus gaat zoals spiritus en fructus : 4e declinatie

cor, cordis n.                    hart

 

Nos cum prole pia

benedicat virgo Maria

 

Vertaling (letterlijk):

De Maagd Maria zegene ons met haar liefdevolle Kind

Wij leerden van de oudere zusters:

Met uw Kind ons zo genegen

schenk, Maria, ons uw zegen.

 

benedicat                          3e pers. enkelvoud præsens coniunctivus van het werkw. benedícere

(De priesterlijke zegen aan het einde van lauden en Vespers van het                                  Getijdengebed  begint ook met deze werkwoordsvorm)

virgo Maria                       de Maagd Maria (twee nominativusvormen): subject/onderwerp                                        van benedicat

pius, a, um                        bijv. naamw. (ablatief enkelvoud) (voor de betekenissen zie  woordenboek)

proles, – is                         vr. (3e declinatie) kind, spruit, jong, aanwas,nakomelingschap

Prole pia                            twee congruerende ablativusvormen met het voorzetsel cum

cum                                     voorzetsel dat als vaste naamval de ablativus bij zich heeft

Omdat het over een persoon gaat: prole pia wordt de ablativusvorm                                                 versterkt met de præpositie cum (vgl. Dominus vobiscum)

nos                                      ons: accusativusvorm van het pers. voornaamwoord nos, wij.

Data cursus Christelijk-liturgisch Latijn in Priorij Thabor eerste halfjaar 2017

christus koning
Iedere dag bidden wij tenminste acht keer het getijdengebed (brevier) in het Latijn. Dat doen wij niet alleen omdat de teksten gestold geloof en van een bijzondere schoonheid zijn en omdat deze ons plaatsen in de millennia-oude traditie van de Rooms Katholieke Kerk die van alle tijden en van alle plaatsen is, wij bidden met name in het Latijn omdat die taal voor ons God op een bijzondere, onmiddellijke wijze nabij brengt. Die ervaring gunnen wij ook aan anderen. Het is niet nodig woord voor woord het Latijn te begrijpen om in het Latijn te kunnen bidden. Doorgaans zijn er vertalingen bij de hand. De aantrekkingskracht om in het Latijn te bidden kan wel toenemen als je iets meer van het Latijn begrijpt.
Wij zijn dan ook heel blij dat ook dit jaar drs. G. Dölle, kapelaan van het dekenaat Roermond beschikbaar is voor onze christelijk – liturgische Latijn .
De lessen worden telkens gegeven op dinsdagavond in priorij Thabor vanaf 19.00u en afgesloten met het gezamenlijk zingen van de Completen samen met de zusters in de kapel om 21.00 uur.
Leerstof: Handboek voor Kerklatijn (plus antwoordenboekje), een door drs. J. Boogaarts, Mevrouw J. Jansen, litt. class.drs  e.a. herziene uitgave van Dom Cyprianus Coppens OSB +  als leidraad gaat dienen. (Brepols, Turnhout 1985).
Verkrijgbaar bij in priorij of bij de Vereniging voor Latijns Liturgie. Kosten EURO 55,–
Aan deelname zijn verder geen kosten verbonden. Wel wordt, aan wie kan betalen, een vrije gift gevraagd voor kosten huisvesting en koffie.
Data bijeenkomsten:
31 januari
21 februari
21 maart
18 april
30 mei LET OP GEWIJZIGDE DATUM
20 juni
Aanmelding via e-mail: inlichtingen@priorijthabor.nl

18 september- fotoreportage inzegening Passerelle, beeld H. Jozef en Patriarchaal kruis Hoogcruts

Inzegening door de Zeereerwaarde Heer Jos L’Ortye, pastoor Parochie Wiro, Plechelmus en Otgerus

Betreffende de in te zegenen voorwerpen:

De passerelle is een ontwerp van ir. Karl Pesch-Konopka, Stadsherstel Limburg en Stichting Limburgs Landschap en uitgevoerd door de heer Wiel Jacobi van Coppes Aannemersbedrijf Valkenburg, zomer 2016.

Het patriarchale kruis is een exacte kopie van het kruis dat opnieuw de voormalige hoofdingang van het klooster Hoogcruts siert. Het werd zomer 2016 aan Priorij Thabor geschonken door de heer Bert Melchiors +, Noorbeek, Stichting Kruisen en Kapellen Limburg.

Het keramieken beeld van Sint Jozef, vervaardigd door Keramische Industrie “Sint Joris”, Beesel, 1944 stond oorspronkelijk in een nis aan de voorgevel van het woonhuis van het bedrijf “H.H. Bouts Bouwmaterialen” aan de Doctor Philipslaan 33-35 te Roermond. De familie Bouts schonk het beeld in het najaar 2015 aan Priorij Thabor.

 

img_4617 img_4616-kopie img_4613-kopie-kopie 20160918_103854-kopie-kopie 20160918_104050-kopie-kopie img_4614-kopie img_4615-kopie[pdf-dsc_2056 dsc_2046 dsc_2025 dsc_2045 dsc_2016 dsc_2005 dsc_1995 dsc_1996

“Verheft Uw hart. Wij zijn met ons hart bij de Heer”.

biddende handen 

“Verheft Uw hart. Wij zijn met ons hart bij de Heer”.

 (Sursum corda. Habemus ad Dominum)

Over de betekenis van het persoonlijk en het liturgisch gebed.

 “Het kan verwonderlijk lijken dat de zorg voor het gebed Uw hart in beslag genomen heeft en het helemaal voor zich heeft opgeëist omdat U namelijk naar de begrippen van deze wereld vooraanstaand bent, rijk en moeder van een zo grote familie, en dientengevolge wel weduwe maar niet alleenstaand. Maar neen, U bent zo verstandig te begrij­pen dat in dit leven en in deze wereld geen enkele ziel in zekerheid kan zijn”,

schrijft Sint Augustinus aan Proba anno 412 in antwoord op haar vraag aan hem iets over het gebed te schrijven[1].

De vraag naar de essentie van het gebed is van alle tijden. Dat zien wij ook in het boek van Johannes Paulus II “Op de drempel van de hoop”, verschenen in 1994, waarin de paus desgevraagd schrijft: “Wat is het gebed. Gewoonlijk houdt men het erop dat het een gesprek is. In een gesprek zijn altijd een “ik” en een “jij”. In dit geval een Jij met een hoofdletter J. De ervaring met het gebed leert ons, dat indien aanvankelijk het “ik” het belangrijkste element lijkt, men weldra tot de gewaarwording komt dat in werkelijkheid de zaken anders staan. Veel belang­rijker is het “Jij”, omdat bij God ons bidden begint”. Even verder citeert de paus de apostel Paulus: “De Geest komt onze zwakheid te hulp, omdat wij niet eens weten hoe wij moeten bidden”[2].

De apostel Paulus schrijft ook over het gebed in zijn brief aan de Tessalonicen­sen[3]: “Bidt zonder ophouden”. Dit Bij­bel­woord werd door sommige monniken in de vroege christen­tij­den heel letterlijk genomen. Zij trokken zich terug op afgele­gen plaatsen in woestijnen in Egypte, Palestina en Syrië, in koude en ontbe­ring, soms boven­op een berg of een steeds hogere pilaar (Sime­on de styliet) of in een bergnis om daar de gehele dag gebeden te prevelen, waarbij zij zich soms zelfs nachtrus­t ontzegden of besloten alleen nog maar te staan.

Deze rigoureuze wijze van geloofsbeleving staat ver van ons af; het wekt de suggestie van spirituele acroba­tiek. Van de manier van leven van deze monniken, echter, ging grote in­vloed uit naar de tijd­ge­noten die naar de monniken trokken en hun om raad vroegen. De kerkhisto­ricus David Know­les schrijft over hen in zijn “Christian Monasticism”: de monnik werd wat hij was door zijn intense en onmiddellijke verwerkelijking dat God alles in allen is en dat … iedere gedachte die niet aan Hem gewijd is, verspild is”[4]. Daden van radicale Godsgerichtheid roepen anderen op zich meer op God te richten in hun ver van God en het godsdienstige verwijderde dagelijks bestaan. In Nederland kennen wij een eigen heilige kluizenaar genaamd Sint Gerlach (vrije gedachtenis bisdom Roermond op 5 januari) die in een holle boom in het Geuldal woonde en die boom slechts verliet om op bede­vaart te gaan naar Maastricht of Keulen[5].

augustinus

Ook Sint Augustinus geeft in de hiervoor aangehaalde brief aan Proba een uitleg aan het schriftwoord “Bidt zonder ophouden”. Deze luidt (in vertaling en samengevat) als volgt: “Het niet aflatend verlangen in geloof, hoop en liefde naar het leven bij God: dat is altijd bidden. Maar we smeken God op gezette uren en tijden ook met woorden en wel om … onszelf aan te sporen om door een blik in ons zelf te zien hoeveel vorderin­gen we in dat verlangen hebben gemaakt”.[6] De H. Franciscus van Sales begint iedere beschouwing in zijn “Introduction à la Vie Dévote” met het gebod: begeef U in Gods aanwezigheid -waarvoor hij in deel II uitermate practische regels geeft; “’t Is goed Uw Pater Noster, Ave Maria en het Credo in het Latijn te bidden maar daarbij moet ge leren om de woorden ervan ook in uw eigen taal te verstaan, opdat ge, als gij ze uitspreekt in de gemeenschapstaal der Kerk toch de wonder­baarlijke zin ervan kunt vatten. Ge moet ze ook zo bidden dat ge de zin ervan diep laat doordringen in uw geest en uw gevoelens erdoor opwekt”. Wie bidt dient vervolgens allereerst te komen tot een levendige en ernstig besef van Gods alomtegen­woor­dig­heid, ook in eigen hart en geest, het beseffen dat Christus in zijn menselijke natuur vanuit de he­mel alle christenen, vooral de bidden­den, beschouwt en het ons voorstellen dat God werkelijk dicht bij is, gevolgd door aa­n- ­ro­e­p­ing van God; “Laat Uw aanschijn lichten over Uw dienaar”[7].

Vraag is wat de betekenis is van het schriftwoord “Bidt zonder ophouden” voor ons in de wereld van het hier en nu. Bidden is kennelijk zeer wezenlijk in ons geloofsleven maar daarom nog geen van­zelf­sprekendheid. Het moderne levensgevoel wordt treffend beschreven in navolgend citaat: “Wij gaan met onze innerlijk­heid om als een analfabeet met een boek in zijn hand. Wij hebben het niet geleerd. Het behoort niet tot de filosofie van wat geleerd zou moeten worden. Men leert slechts om naar buiten toe te werken en invloed te krijgen, bezig te zijn, zijn bezit te vergroten en ervan te genieten. … Door lange gewenning hebben zich de oren en ogen voor het innerlijk proces gesloten.”[8]. Bidden vraagt zorg, aandacht en veelvul­dige beoefening. “Een mens bidt, zoals hij gelooft”, schreven de Franse bis­schoppen in 1978 in een herderlijk schrijven over het belijden van geloof.[9]  Anderzijds lijkt het ook wel zo te zijn dat juist na ervaring van grote geestelijke armoede de mens naar het geestelijke wordt toegedreven. In een eigentijds liedje heet het “Is dit alles” en de paus schrijft: “De mens van onze tijd ontdekt weer het Sacrum, het heilige, ook al weet hij dat niet altijd met name te noemen”.[10]

 catechismus

wat is gebed

Alvorens in te gaan op de betekenis van het gebed lijkt het nuttig een indicatie te geven wat gebed is. In de Katechis­mus voor de Katholieke Kerk wordt veel aandacht -veel meer dan in de oude cate­chismus het geval was- besteed aan het gebed. In deze catechismus wordt aandacht besteed aan alle facetten van de Kerk en het geloof aan de hand van navolgende indeling:

-de inhoud van het geloof: geloofsbelijdenis;

-de sacramenten;

-de weg van het geloof; de geboden;

-het gebed waarbij over het gebed in algemene zin wordt gesproken en aandacht wordt besteed aan het Onze Vader, het gebed dat Christus zelf ons heeft geleerd.

In de oude (Tridentijnse) catechismus werd alleen aandacht besteed aan het Onze Vader en niet aan de betekenis van het gebed in algemene zin. Dit is een teken; een toename van aandacht pleegt veelal op te treden als er bezorgdheid heerst. Ook in de gezondheidszorg krijgt de preventie aandacht, nadat is vastge­steld dat een kwaal op grotere schaal heerst casu quo de vormen van een epi- of pandemie heeft aangenomen. Het valt de moderne westerse mens niet mee noch om tijd en plaats te vinden voor het gebed in zijn drukke bestaan noch om te weten hoe hij moet bidden. Dat is niet iets nieuws van de tachtiger of negentiger jaren van deze eeuw. Godfried Bomans be­schrijft in “Beminde gelovigen” al de door hem ondervonden teleurstel­ling bij gelegenheid van zijn eerste Communie: “Op de dag zelve heb ik de vreugde der enge­len niet gesmaakt. Het orgel ruiste en in de binnenkant van mijn handen zag ik mijn vingers rood gloeien tegen het licht van het altaar. Waar bleef nu die onmetelijke verrukking? Niets. Alle kinderen knielden met hun handen voor hun ogen in een extase van blijd­schap, rijen dik zaten ze maar te genie­ten, ik alleen viste in mijn stijfgeste­ven matrozenpak weer achter het net. Een on­waardige. Jezus was er wel maar hij hield zich gedekt. Bij die moet ik eigenlijk niet wezen, dacht Hij, ik ben er wel maar goed beschouwd zit ik hier verkeerd. Een diepe verslagenheid maakte zich van mij meester. Waar ligt het aan?”[11] Dezelfde gedachte klinkt -iet­wat formeler- door in Psalm 26: “Naar U gaat mijn hart uit: U wil ik zien. Uw ge­laat, Heer, wil ik aan­schouwen. Verberg mij uw aanschijn niet”. Bidden gaat niet vanzelf; wij moeten willen bidden en wij moeten leren bidden en daar iedere keer ook weer opnieuw begin­nen, terwijl wij daar schijnbaar weinig vooruitgang in maken.

zon.

De wereldcatechismus geeft onder meer de volgende definitie: “het gebed is de ontmoe­ting van ons dorsten naar God en het dorsten van God naar ons”[12]. Het gebed is geen toegevoegde waarde maar wezenlijk in ons bestaan; het deelnemen van bin­nenuit aan de relatie van Christus met zijn Vader of in de woord van Teresia van Avilla: “de dialoog met een vriend van wie je weet dat hij je bemint”. Dialoog veronderstelt een dubbele beweging: God spreekt met ons en wij spreken met God.

Het boek Genesis is bezaaid met de zinsnede: “En God sprak”. In het boek Exodus 33,11 staat: “Jahwe sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht zoals een mens tot zijn medemens spreekt”. Bij de profeet Jeremia (33,3) spreekt God: “Roep mij aan en ik verhoor U. Grote, ondoorgrondelijke dingen maak ik U bekend”.

De catechismus volgt deze dubbele beweging van dialoog:

-de openbaring van het gebed met (voor)beelden uit het Oude Testament, het gebed van Christus zelf en de beteke­nis van het gebed in het kerkelijk leven;

-de overlevering van het gebed in de kerkelijke traditie;

-de ontwikkeling en instandhouding van het persoonlijk gebedsleven.

Paus Johannes Paulus II gaat in zijn brief bij gelegenheid van het jaar van het gezin 1994 in op de betekenis van het gebed en schrijft: “Het is veel bete­kenend dat juist in en door het gebed de mens op een zeer een­voudige en toch diepe wijze zijn eigen unieke subjecti­viteit begint te ontdekken; in het gebed ervaart het menselijke “ik” gemakkelijker wat het betekent om persoon te zijn. … Het gebed doet de kracht en de geestelij­ke eenheid van het gezin groeien”.

 hoe bidden wij?

“Wanneer gij bidt, ga dan in Uw binnenkamer, sluit de deur achter U en bid tot Uw Vader die in het verborgene is en Uw Vader die in het verborgene ziet, zal het U vergelden”, lezen wij in Matteüs 6, 6. De tekst vervolgt: “Als gij bidt, ge­bruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want deze menen dat zij door een veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet Uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader”.

Het is bij het gebed niet noodzakelijk de Heer en détail van onze dagelijkse handel en wandel te informeren. Die kent Hij toch wel. Sint Augustinus schrijft: orat homo, ut ipse con­struatur, non ut Deus instruatur (de mens bidt niet om God te informeren maar om zichzelf te verheffen)[13]. In het boek van C.S. Lewis over het gebed “Brieven aan Malcolm, vooral over het gebed” schrijft hij over een vrouw die zich ten doel stelde zoveel mogelijk gebeden te verzamelen en die vervolgens  uit te geven: “Als zij ze nu alleen maar verzamelde als objets d’art, dan kon ik het begrijpen; zij was een geboren verzame­laarster. Maar ik krijg de indruk dat zij ze verzamelde om ze te gebruiken, dat haar hele gebedsleven afhankelijk was van kant-en-klare gebeden -gebeden die door anderen geschreven waren”[14].

Uit deze verzameling citaten blijven twee algemene gedachten over:

-bidden is niet alleen het uiten van woorden maar ook en vooral stil zijn om ruimte te maken voor Gods geest in ons zelf;

-in ons persoonlijk gebed kunnen vaste teksten van anderen ons tot belangrijke steun zijn maar ook onze eigen woor­den en gedachten zijn daarbij eveneens van belang.

children-bedtime-mid

Aan de hand van enkele gebeden van kinderen -opgetekend in Duitsland maar er is geen reden te veronderstellen dat kinde­ren in Nederland anders bidden- kan wellicht worden geïllus­treerd wat met het vorenstaande bedoeld wordt (en wat juist niet):

-Lieve God, krijg ik een hond als ik iedere zondag naar de kerk ga?

-Lieve God, bestaat de Paashaas. Wees alstublieft eerlijk!

-Lieve God, mijn oma is al bij U. Scheldt ze bij U ook zoveel?

-Lieve God, hier op aarde is het mooi. Hoe ziet de hemel er uit? Hoe gaat het met U? Met mij gaat het goed[15].

Een zekere mate van streven naar dialoog -hoe moeilijk soms ook- lijkt toch wel wenselijk, ook met het oog op de continu­ïteit. De meeste mensen worden het uiteinde­lijk toch moe naar zichzelf te luisteren.

structuur van het gebed

In het gebed worden van oudsher bepaalde vaste elementen  onderscheiden, te weten:

eerst afkeer van de wereld, vervolgens: inkeer, waarna: terugkeer naar de we­reld.

Meer concreet wordt dit geïllustreerd met een citaat uit Lucas, 6: “In die dagen ging Hij naar het gebergte (afkeer van de wereld in loca­tie) om er te bidden en bracht er de nacht (afkeer van de wereld in tijd) door in gebed tot God (inkeer). Bij het aanbre­ken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij zich en koos er twaalf uit. … Samen met hen daalde hij af (terug­keer naar de wereld) maar bleef staan op een vlak terrein. … Heel de menigte deed pogingen om hen aan te raken want er ging een grote kracht van hem uit die allen genas. Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlin­gen aan en sprak: Zalig gij die arm zijt want aan U behoort het Rijk Gods …”.

Hetzelfde valt te onderscheiden in de beschrijving van de verheerlijking op de berg Thabor, Lucas hoofdstuk 9: “Ongeveer acht dagen na deze woorden nam hij Petrus, Johannes en Jacobus met zich mee en besteeg een berg om er te bidden. Terwijl Hij in gebed was veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia. … Petrus en zijn metgezellen waren ondertussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden, zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.”. Petrus stelt dan voor drie tenten te bouwen en er te blijven, maar “hij wist niet wat hij zei”. Geestelijk leven gunt ons immers wel de luxe van de afkeer en de inkeer maar draagt tegelijkertijd de opdracht in zich daarna weer erop uit te gaan de wereld in.

thabor.b

Christus zelf heeft ons geleerd te bidden in het “Onze Vader” -een gebed waarin volgens kerkvader Tertullianus het gehele Evangelie wordt samengevat. Het “Onze Vader” is gebed van de Kerk bij uitstek dat wij terugvinden op vele plaatsen in de getijden en in de liturgie van de sacramenten (Doopsel, Vorm­sel en Eucharistie). Paus Johannes Paulus II schrijft in zijn boekje over het Onze Vader: Alles wat men aan de Vader kan en moet zeggen, ligt opgesloten in die zeven beden die we alle­maal van buiten kennen. Zij zijn zo eenvoudig dat zelfs een kind ze leren kan en tegelijkertijd zo diepzinnig dat men een heel mensenleven kan besteden aan het overwegen van de beteke­nis van iedere afzonderlijke bede”[16].

typen gebeden

In het gebed van de Kerk worden traditioneel vier hoekstenen -typen gebeden- onderschei­den[17]:

-aanbidding: aanbidden valt (in tegenstelling tot ver­ering) buiten het gebied van de beïnvloedbaarheid; wij aan­bidden niet om iets te bereiken maar weten ons nederig voor God die over ons beschikt;

-belijdenis: het Latijnse werkwoord “confiteri” bete­kent zowel belij­den als prijzen; geloofs­belijdenis en schuld­belijdenis; de gelovi­ge erkent / verheerlijkt Gods plaats in zijn bestaan;

-dankzegging: dankzegging ligt dicht bij prijzen maar gaat verder: gratias agamus Domino Deo nostro, uit dankzegging komt ook weer aanbidding voort; in de woorden van het Gloria: wij danken U voor Uw grote heerlijkheid (gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam).

-smeking: in smeking ligt de erkenning besloten dat wij het alleen niet kunnen en het besef dat God alles kan. Wij vragen om hulp voor onszelf of voor anderen. Psalm 4,2: Geef mij toch antwoord, als ik roep. God mijn God die voor mij pleit. Geef mij ruimte waar ik klem zit. Wees genadig, hoor mij bidden”. Christus zelf beoefent in de Hof van Olijven het smeekgebed als hij bidt: “Mijn Vader, als het moge­lijk is, laat deze kelk aan mij voor­bijgaan. Maar toch; niet zoals ik wil maar zoals Gij het wilt”. Daarin liggen trouwens ook de klassieke houding van de Kerk ten aanzien van het verhoren van gebed:

-verandering in de uitwendige werkelijkheid: er ge­beurt wat wij vragen, desnoods een wonder;

-verandering in onze inwendige werkelijkheid: wij aanvaarden de werkelijk­heid en slagen er zelfs in daarin Gods wil te zien: Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel (Fiat voluntas tua sicut in caelo et in terra) of zoals onze moeders zeggen: “het heeft zo moeten zijn”.

Dat zulks dikwijls gemakkelijker gezegd dan gedaan is, lezen wij in psalm 55 die in de Willibrordvertaling het motto meekreeg: “Als alles tegen is”: Hoor, o God, mijn gebed, wees toch niet voor mijn smeken onvindbaar. Zie toch naar mij om, geef mij antwoord. Kreunend dool ik en vind nergens rust, moe van het getier van de vijand, moet van het gesar van Uw haters … Sticht verdeeldheid in hun kamp, sticht verwarring van taal in hun midden…”.

getijden.brevierLiturgisch gebed

Naast het persoonlijke gebed bidden wij ook in de liturgie -litur­gie is openbare eredienst, de zintuiglijk waarneembare bele­ving van onze geloofsovertuiging in een eigen liturgische vorm die ons door de Kerk wordt gegeven bijvoorbeeld in het missale romanum en in het getijdenboek (liturgia horarum). In de woorden van het Tweede Vaticaans Concilie heeft litur­gie een tweeledig doel: eer aan God en heil van mensen. Zij is bron en hoogtepunt (fons et culmen) van alle christelijk leven[18]. Paus Johannes Paulus II heeft in zijn brief aan de priesters op Witte Donderdag 1980 geschreven: De Kerk handelt niet enkel maar drukt zichzelf ook uit in de liturgie. Zij leeft vanuit de liturgie en put daaruit de kracht die zij nodig heeft om te leven”. Litur­gie is -evenals het persoonlijk gebed- een vorm van gelovige ontmoe­ting van God en mens; liturgie is niet om “bij te wonen” of “uit te zitten tot het afgelopen is” maar om mee te maken en te be-leven waarbij de betekenis van de viering niet bepaald wordt doordat wij al dan niet “iets mogen doen op het priesterkoor” maar door onze innerlijke gesteldheid die als het goed is ook in onze houding tot uitdrukking komt (staan, knielen, zitten).

In de vroegste christentijden was er geen scheiding tussen het persoonlijk en het liturgisch gebed[19]: “Of men nu te maken had met het liturgisch gebed of met intiem verborgen bidden, bij beide ging het om eenzelfde innerlijkheid, eenzelfde bewogen­heid van het hart, het antwoord op Christus’ vraag om altijd te bidden en niet te versagen”. Tijdens en na de Middeleeuwen clericaliseerde de liturgie dat wil zeggen dat zij niet langer viering van de gemeenschap was, maar van kleine groepen gees­telijken waarbij de gelovigen soms wel fysiek in hetzelfde kerkgebouw aanwezig waren maar niet mee-vierden. Deze verwij­dering tussen de christengelovigen en de liturgie hield vol­gens sommigen verband met een te grote nadruk op de Kerk als instituut en te weinig als mysterie/sacrament waarin Christus zich aan Zijn volk meedeelt en met dat volk meetrekt. Naar de bedoeling van de Liturgische Beweging waar­van het geestelijk erfgoed onder meer zijn neerslag vond in de encycliek “Media­tor Dei et hominum” (paus Pius XII, 1947) en het Tweede Vati­caans Concilie moeten liturgie en gelovigen dich­ter naar elkaar worden gebracht opdat de gelovigen daad­werke­lijk deel­nemen aan de eredienst en zich van daaruit gestimu­leerd en geïnspireerd weten in hun persoonlijk gebeds­leven. Uitdrukke­lijk wordt in de conciliedocumenten de wens neergelegd dat alle christen-gelovigen deel nemen aan het getijdengebed: “Indien dit bidden van het getijdengebed een echt persoonlijk gebed wordt, zal ook de band tussen liturgie en christelijk leven duidelijker worden. Het hele leven van de gelovigen is immers op alle uren van de dag en de nacht leitourgia, waar­door zij zich aan een dienstwerk van liefde tot God en de mensen wijden in aansluiting bij het werk van Christus”[20] Na het concilie zijn zowel het missaal als het getij­denge­bed ver­nieuwd, in 1970 het missaal en in 1971 het getij­denboek (aan­gepast in 1985 aan de neo-vulgaat vertaling).

Ook nu is de bedoeling dat de gelovige gemeenschap zich bij een liturgische samenkomst in gebed verenigt. Mgr Dr J.F. Les­crauwaet verwoordt deze gedachte in zijn publicatie “Liturgie als gebedsbelevenis”[21] als volgt: de gebedsdimensie is de meest eigene van de liturgische bijeenkomst en dient het meest sprekend naar buiten te treden. Indien buiten­staanders een liturgieviering beziende, niet meer de indruk krijgen dat wij daar verkeren met de Heer zelf, rijst de vraag of de liturgie authen­tiek is -als de vorm wellicht nog zo goed bedoeld. In de liturgie, zoals de Kerk die ons geeft, komt het gebedskarakter in al zijn hiervoor genoemde facetten tot uitdrukking: aanbid­ding, belijdenis, dankzegging en smeking.

taal van het gebed

De taal van het gebed is niet de taal van onze dagelijkse onderlinge omgang. In die zin kan het gebruik van een andere taal een voordeel zijn om zich gemakkelijker te richten op het goddelijke; in de Amglicaanse traditie was het Book of Common Prayer van Thomas Cramner niet het dagelijks Engels uit de tijd van Hendrik VIII maar een veel plechtiger taal. In het gebed is soms het begrijpen belangrijker dan het verstaan van de afzon­derlijke woorden. Daarom ook heeft bidden in het Latijn zowel in het liturgisch als in het persoon­lijk gebed een unieke betekenis die niet bijvoorbaat dient te worden uitgesloten:

-de taal van de liturgie schept gemeenschap en garandeert gemeenschap[22]; biddend in het Latijn staan wij in een eeuwenlange traditie die van alle tijden en alle plaatsen is; katholiciteit en universaliteit;

-bidden in het Latijn vergemakkelijkt de spirituele sprong door de natuurlijke afscheiding van taal in de dagelijkse omgang en de omgang met God;

-het Latijn kent een eigen schoonheid en expressiviteit die ons onmiddellijk kan raken: “Deus in adiutorium meum intende” heeft hoe dan ook een andere lading dan “Heer, haast U mij te helpen”;

-in het Latijn kunnen wij direct contact hebben met het Gregori­aans -gezongen gebed; bis orat qui bene cantat.

 

enkele opmerkingen voor dagelijks gebruik

Naar oude maar nog steeds actuele opvattingen binnen de Kerk is het geven van structuur en een zekere mate van discipline een belangrijk beginsel voor de ontwikkeling en instandhouding van een vruchtbaar gebedsleven -en trouwens daarvoor niet alleen. De universele catechismus geeft daartoe enkele sugges­ties[23]:

– vaste plaatsen; voor persoonlijk gebed: in huis; de catechismus spreekt van een “coin de prière” – een ge­bedshoek met de H. Schrift en bijvoorbeeld een icoon;

voor liturgisch gebed: de Kerk, huis van God, de geëigen­de plaats voor de liturgie en voor de aanbidding van de daadwerkelijke aanwezigheid van Christus is het H. Sacra­ment;

– vaste tijden; bij het opstaan, het eten, het slapen gaan, zoals in de liturgie der getijden; metten (daglezing), lauden (ochtendgebed), kleine uren: terts, sext en noon, vespers, com­pleten (avondgebed).

-vaste teksten; in het liturgisch gebed door de officiële boeken zoals die zijn vastgesteld, in het persoonlijk gebed door goede geestelijke lectuur

– bijzondere momenten van verdieping:

-liturgische vieringen;

-bedevaarten;

-retraites;

-betekenis geestelijke leiding en H. Biecht.

Ook wordt gewezen op de betekenis van het gezin voor de vor­ming van het persoonlijk gebedsleven; zien bidden, doet bid­den.

gevouwen handen.laat ons bidden

tenslotte

Theoretiseren over het gebed als een markant godsdienstig verschijnsel is wellicht interessant maar verliest iedere betekenis indien het er niet op gericht is het be­spro­ke­ne in de praktijk te brengen. Het geloof zonder werken is dood, maar het geloof zonder gebed bestaat niet, dat wil zeggen dat het niet levend geweest is. Wie zich verliest in maatschap­pelijke betrokkenheid loopt het gevaar godsdien­stige gedrevenheid te vervangen door maatschap­pelijk enga­gement -hoe nuttig dat overigens ook moge zijn. Daarmee doet hij vooral zichzelf maar ook zijn Schepper tekort; het gaat in de eerste plaats om de verhouding van de mens tot God en al het andere is daarvan afge­leid. In de brief van de paus over het gezin komt een passage voor die een passend besluit voor dit artikel zou kunnen vormen; moge het gebed van de Kerk, het gebed van de gezinnen als huiskerken, voort­durend opwellen. Moge het ge­hoord worden door God en vervol­gens door alle mensen zodat zij niet bezwij­ken voor de twij­fel, en allen die wankelen vanwege de mense­lijke zwakheid, niet zullen zwichten voor de verlei­ding van het louter ogen­schijnlijk goede”[24].

Noten:

    [1]Aurelius Augustinus. Staat van ontlediging, staat van gebed. Thabor-Brugge 1992, p. 50.

    [2]paus Johannes Paulus II. “Op de drempel van de hoop­”, Veen-Amster­dam/Antwerpen 1994, p. 36 en 37.

    [3]1 Tess. 5,17.

    [4]D. Knowles. Christian Monasticism. McGraw-Hill Book Company- New York-Toronto 1969, p. 24.

    [5]Getijdenboek-Gebeden voor elke dag. Algemene Inlei­ding. Natio­nale Raad voor Liturgie-Zeist 1990, p. 115N.

    [6]Aurelius Augustinus. Staat van ontlediging, staat van gebed. Thabor-Brugge 1992, p. 66.

    [7]Saint François de Sales. “Introduction à la Vie dévote”. Nelson-Parijs.

    [8]E. Bammel. Het begrip rust in de mystiek. Communio, 1994-1, pp. 52 – 53.

    [9]Mgr J.B.F. Schröder. Bidden in het christelijk le­ven – kernthe­ma in de wereldkatechismus. Innerlijk Leven (Vlaamse Karmel), 1993-I.

    [10]paus Johannes Paulus II. “Op de drempel van de hoop­”, Veen-Amster­dam/Antwerpen 1994, p. 49.

    [11]Godfried Bomans. Beminde gelovigen. Ambo-Baarn 1970, p. 16.

    [12]Catéchisme de l’Eglise Catholique. Mame/Plon-Pa­rijs 1992. p. 519.

    [13]Aurelius Augustinus. Epistulae 140,69, aangehaald in A.

Laep­ple. “Arbeitsbuch zum Katechismus der katho­lischen Kirche”, Pattloch Verlag- Augsburg 1993, p. 591.

    [14]C.S. Lewis. “Brieven aan Malcolm, vooral over het gebed”. Van Wijnen-Franeker, 1989, p. 10.

    [15]A.Laep­ple. “Arbeitsbuch zum Katechismus der katho­lischen Kirche”, Pattloch Verlag-Augsburg 1993, p. 595 – 596.

    [16]Paus Johannes Paulus II. Het Onze Vader. Arbor-Baarn 1988, p. 10.

    [17]Mgr Dr J.F. Lescrauwaet M.S.C. Liturgie als gebeds­belevenis. Utrecht-1988.

    [18]Constituties & Decreten van het 2e Vaticaans Oecume­nisch Concilie. Sacrosanctum Concilium, paragraaf 36. Stichting Ark-Leusden 1986, pp. 12 -13.

    [19]”Christus ontmoeten in het getijdengebed”, spiritua­liteit van de liturgie der Getijden. Abdij Bethlehem-Bonheiden 1992, p. 31.

    [20]Apostolisch Constitutie bij uitgave van het getij­denboek. Getijdenboek. Algemene Inleiding Nationale Raad voor Liturgie, Zeist 1990, p. 17.

    [21]Mgr Dr J.F. Lescrauwaet MSC. Liturgie als gebedsbe­levenis. Utrecht 1988, p. 3

    [22]A. Lenglet OSB. “Bidden in het Latijn” Utrecht 1988, p. 7.

    [23]Catéchisme de l’Eglise Catholique. Mame/Plon-Pa­rijs 1992, pp. 544- 546.

    [24] Johannes Paulus II. Brief aan de gezinnen, 4 maart 1994.

Cursus Christelijk-liturgisch Latijn in Priorij Thabor vanaf 6 september

christus koning

Iedere dag bidden wij tenminste acht keer het getijdengebed (brevier) in het Latijn. Dat doen wij niet alleen omdat de teksten gestold geloof en van een bijzondere schoonheid zijn en omdat deze ons plaatsen in de millennia-oude traditie van de Rooms Katholieke Kerk die van alle tijden en van alle plaatsen is, wij bidden met name in het Latijn omdat die taal voor ons God op een bijzondere, onmiddellijke wijze nabij brengt. Die ervaring gunnen wij ook aan anderen. Het is niet nodig woord voor woord het Latijn te begrijpen om in het Latijn te kunnen bidden. Doorgaans zijn er vertalingen bij de hand. De aantrekkingskracht om in het Latijn te bidden kan wel toenemen als je iets meer van het Latijn begrijpt.

Wij zijn dan ook heel blij dat vanaf september 2016 drs. G. Dölle, kapelaan van het dekenaat Roermond aandacht wordt gegeven aan het christelijk – liturgische Latijn in een eerste blokcursus met 7 lessen.

De lessen worden telkens gegeven op dinsdagavond in priorij Thabor vanaf 19.00u en afgesloten met het gezamenlijk zingen van de Completen samen met de zusters in de kapel om 21.00 uur.

Leerstof: Handboek voor Kerklatijn (plus antwoordenboekje), een door drs. J. Boogaarts, Mevrouw J. Jansen, litt. class.drs  e.a. herziene uitgave van Dom Cyprianus Coppens OSB +  als leidraad gaat dienen. (Brepols, Turnhout 1985).

Verkrijgbaar bij in priorij of bij de Vereniging voor Latijns Liturgie. Kosten EURO 55,–

Aan deelname zijn verder geen kosten verbonden. Wel wordt, aan wie kan betalen, een vrije gift gevraagd voor kosten huisvesting en koffie.

Data bijeenkomsten: 6/9, 20/9, 4/10, 18/10, 8/11, 22/11 en 13/12.

Aanmelding via email: inlichtingen@priorijthabor.nl

“Każdego dnia chcę we wszystkim czynić Jego wolę”

 

Wywiad z Siostrą Marią Weroniką od Krzyża Świętego

“Każdego dnia chcę czynić we wszystkim Jego wolę”

Wywiad z Siostrą Marią Veronicą od Krzyża Świętego

Złożyła śluby wieczyste w sobotę 16 kwietnia 2016

6

Zaprzyjaźniona z Klasztorem osoba zaproponowała postawienie siostrze Weronice kilku pytań po złożeniu przez nią ślubów wieczystych, by mogła podzielić się z Czytelnikami historią powołania do naszego Klasztoru.

  1. Co zmotywowało Siostrę do wstąpienia do Klasztoru Thabor?

W polskim tygodniku katolickim „Niedziela” przeczytałam informację o Zakonie Grobu Świętego w Holandii. Moją pierwszą reakcją była myśl, że Bóg mnie zaprasza, żeby pomóc Siostrom i świadczyć o miłości i miłosierdziu Boga. Grób Święty już wtedy był dla mnie symbolem Zmartwychwstania i nowego życia w Bogu. Uświadomiłam sobie, że Bóg otwiera dla mnie drzwi z Polski do Sint Odiliënberg.

7

2. W jaki sposób Siostra zrozumiała, że Bóg Siostrę wzywa, żeby wstąpić do tego Klasztoru?

Jakiś czas później brałam udział w tygodniowych rekolekcjach w mojej parafii w Warszawie, które prowadził ksiądz z Neokatechumenatu. Podczas pierwszej konferencji mówił o Abrahamie i jego relacji z Bogiem. Wtedy odczułam po raz pierwszy  jakby namacalnie szczególną i bardzo bliską obecność Boga, mianowicie, że Bóg jest moim Ojcem. Bóg chciał mi dać wiele miłości: czułam, że Bóg mnie kocha i wzywa, abym wstąpiła do Klasztoru w Sint Odiliënberg.

3. Czy trudno jest wstąpić Polce do małego Zakonu poza Polską?

Trudno i nie trudno!

Trudno, ponieważ zawsze muszę chodzić po wodzie jak Piotr. Holandia ma inny język, inną kulturę, inne tradycje i  muszę zawsze przekraczać samą siebie, żeby w Holandii próbować rozumieć ludzi tak dalece, jak to możliwe i świadczyć o Panu, który we mnie żyje.

Nie jest to trudno, ponieważ świadomość, że Bóg mnie w tym miejscu potrzebuje i dlatego dał mi szczególne powołanie,  jest moją wielką radością.

Widzę, że siostry dążą do świętości niezależnie od ich słabości. Ja też próbuję do niej dążyć.

4. Czy ma Siostra nadzieję, że będzie więcej sióstr z Polski?

Oczywiście! Ale to Bóg jest Tym, który decyduje, a ja mogę się tylko modlić!

bisschop            5. Czy to było trudne dla Siostry i jej rodziny, że Siostra wstępuje do klasztoru daleko od  Polski?

To było trudne, ponieważ oznaczało radykalną zmianę moich planów na przyszłość; pójście za głosem powołania było moją radością, ale ofiarą dla mojej rodziny i skutkiem tego ofiarą dla mnie.

6. Co według Siostry najbardziej różni Holandię od Polski?

Deszczowa pogoda! Monotonny krajobraz! Ale poruszyła mnie także bezinteresowna przyjaźń, przede wszystkim ze strony Sióstr.

Jeśli chodzi o życie religijne, zauważam, że mało jest wspólnot w parafiach, mało spowiedzi i mało jest ludzi, którzy chodzą do kościoła na Mszę Świętą. Żałuję tego. Ludzie sami się tego pozbawiają i często są z tego powodu nieszczęśliwi.

IMG_3986        7. Czy Siostra miała już wcześniej doświadczenie liturgii po łacinie?

Nie, absolutnie nie, ponieważ językiem liturgii w Polsce jest język polski, oprócz kilku pieśni podczas liturgii pogrzebowej.

8. Czy jest trudno przyzwyczaić się do łaciny?

Dla chcącego nic trudnego!

9. Czy rozumie Siostra, co Siostra śpiewa?

Msza Święta jest zawsze osobistym przeżyciem dla mnie, szczególnie Sanctus. Śpiewając Sanctus uwielbiam z milionami Aniołów chwałę Boga, to dla mnie coś szczególnego. Tekst Mszy Świętej oczywiście znałam już. W tym kontekście pojmuję także i inne teksty.

Od postulatu mogłam używać polskiego brewiarza w ramach przygotowania do modlitwy w chórze i do medytacji tekstów. W ten sposób mogłam już bardzo wiele pojąć.

Nadal studiuję codziennie teksty liturgiczne i to będzie trwało przez całe moje życie; to należy do treści życia zakonnego.

8        10. Jak Siostra spędza dzień?

Bóg przygotowuje dla mnie każdy dzień. Każdego dnia chcę we wszystkim czynić Jego wolę.

Codziennie mamy Mszę Świętą i siedem razy dziennie modlitwę chóralną i oczywiście także modlitwę osobistą oraz czytanie duchowe.

Pomagam też siostrom w kuchni, refektarzu, przy praniu i moje zadanie specjalne to wyjście z psami do ogrodu.

11        11. Co powiedziałaby Siostra kobietom, które zastanawiają się, czy wstąpić do klasztoru Thabor?

Bóg jest miłością i wzywa, ale pyta zawsze, czy chcesz. Bóg nie mówi: “Musisz”, ale “Czy chcesz?” Bóg pyta w sposób delikatny.

Trzeba ufać i słuchać sercem jak Maryja. To trudna droga, bo zawsze trzeba poddać własną wolą, ale prawdziwa wolność jest w Bogu. Dowodem na miłość do Boga jest miłość do krzyża i ofiara, także ofiary dnia codziennego.

Bóg dał mi powołanie oraz siłę i razem z Jezusem daję świadectwo, że Bóg wierzy we mnie i mi ufa. Ta postawa jest fundamentem moich ślubów wieczystych, to znaczy na zawsze!

12

Niedziela 24 kwietnia 2016

 

“Iedere dag wil ik in alles Zijn wil doen” Interview met Zr. M. Veronica van het H.Kruis

“Iedere dag wil ik in alles Zijn wil doen”

Interview met Zr. M. Veronica van het H.Kruis

Plechtig geprofest voor het leven op zaterdag 16 april 2016

6

Een vriend van het huis stelde voor enkele vragen aan zuster Veronica voor te leggen na haar plechtige professie, zodat zij aan lezers iets zou kunnen vertellen over haar beslissing bij ons in huis haar leven aan God te wijden.

  1. Wat was uw motief om naar priorij Thabor te komen?

In het Poolse katholieke weekblad Niedziela las ik een bericht over de Orde van het Heilig Graf in Nederland. Mijn eerste reactie was de gedachte dat God mij uitnodigde om de zusters te gaan helpen en om daar  te gaan getuigen van de liefde en barmhartigheid van God. Het Heilig Graf was toen al voor mij het symbool van de Verrijzenis en van nieuw leven in God. Ik kwam tot het besef dat God voor mij een deur opende van Polen naar Sint Odiliënberg.

bisschop

  1. Hoe werd het u duidelijk dat God u roept om hier in te treden?

Een tijdje later volgde ik in mijn parochie in Warschau een retraite van een week, gegeven door een priester van het Neocatechumenaat. In de eerste conferentie werd gesproken over Abraham en zijn relatie met God. Toen voelde ik voor de eerste keer, als het ware tastbaar, de aanwezigheid van God bijzonder en zeer nabij, namelijk dat God mijn Vader is. God wilde mij zeer veel liefde geven: ik voelde dat God mij beminde en dat Hij mij riep om in te treden in Sint Odiliënberg.

  1. Is het moeilijk om als Poolse in een klein klooster buiten Polen in te treden?

Het is moeilijk en niet moeilijk!

Het is moeilijk omdat ik altijd over het water moet lopen, zoals Petrus. Nederland heeft een andere taal, een andere cultuur, andere tradities en ik moet altijd over mijzelf heen springen om in Nederland te proberen mensen zo goed mogelijk te begrijpen en te getuigen van de Heer die in mij leeft.

Het is niet moeilijk omdat het voor mij een grote vreugde is te weten dat God mij nodig heeft op deze plaats en mij hiermee een speciale roeping heeft gegeven.

Ik zie dat de zusters naar heiligheid streven ondanks hun zwakheden. Dat probeer ik ook.

IMG_3986

 

  1. Hoopt u dat hier meer zusters uit Polen komen?

Natuurlijk! Maar God is Degene die beslist en ik kan alleen maar bidden.

  1. Was het moeilijk voor uw familie en voor u om in een klooster ver van Polen in te treden?

Het was moeilijk, want het was een radicale verandering van mijn toekomst; het volgen van mijn roeping was een vreugde voor mij, maar een offer voor mijn familie en bijgevolg een offer voor mij.

13

 

  1. Wat vond u het meest opvallende in Nederland?

Het regenachtige weer! Het monotone landschap! Maar ook de belangeloze vriendschap heeft mij zeer getroffen, vooral van de kant van de zusters.

Op kerkelijk gebied merk ik dat er weinig levende gemeenschapszin is in de parochies, er wordt weinig gebiecht en er zijn weinig mensen die naar de kerk komen voor de Heilige Mis. Dat vind ik jammer. Zij doen zichzelf tekort en blijven niet zelden daarbij ook nog ongelukkig.

  1. Had u al ervaring met liturgie in het Latijn?

Nee, totaal niet, want de liturgie in Polen is in de landstaal, behalve enkele gezangen bij de begrafenisliturgie.

11

  1. Is het moeilijk daaraan te wennen?

Waar een wil is, is een weg!

  1. Weet u wat u zingt?

De H. Mis is steeds een persoonlijke ervaring voor mij, speciaal het Sanctus. Bij het zingen van het Sanctus aanbid ik met miljoenen Engelen de glorie van God, dat is voor mij bijzonder. De tekst van de H. Mis kende ik natuurlijk al. In deze context begrijp ik ook de andere teksten.

Vanaf mijn postulaat mocht ik een Pools brevier gebruiken als voorbereiding op het koorgebed en als meditatie van de teksten. Op deze manier heb ik al veel kunnen begrijpen.

Ik studeer dagelijks verder op liturgische teksten en dat zal nog wel mijn leven lang duren; dat is de kloosterlijke houding.

koorgebed-basiliek-2 (1)

 

  1. Wat doet u?

God bereidt voor mij elke dag voor. Iedere dag wil ik in alles Zijn wil doen.

Dagelijks hebben we de H. Mis en zeven keer per dag koorgebed en natuurlijk ook het persoonlijk gebed en de geestelijke lezing.

Ik help verder de zusters in de keuken, in de refter, bij de was en ik heb de speciale opdracht met de honden de tuin in te gaan.

034-a bij tekst 014

  1. Wat zou u willen zeggen tegen vrouwen die zich afvragen of intreden in de Priorij Thabor iets voor hen is?

God is liefde en God roept, maar God vraagt altijd of ú wilt. God zegt niet: “U moet” maar “Wilt u”? God vraagt op een delicate manier.

U moet vertrouwen en met het hart luisteren zoals Maria. Het is een moeilijke weg omdat men altijd met de eigen wil moet breken, maar de echte vrijheid is in God. Het bewijs van de liefde tot God is de liefde tot het kruis en het offer, óók de offers van iedere dag.

God heeft mij de roeping en de kracht gegeven en samen met Jezus geef ik getuigenis dat God in mij gelooft en in mij vertrouwen heeft. Vanuit die houding heb ik mijn plechtige professie gedaan  dat wil zeggen voor het leven!

Zondag 24 april 2016

056 bij tekst 031

Inleiding en preek Mgr. Wiertz bij Plechtige Professie Zuster Veronica

bisschop

Inleiding en homilie door Mgr. F. Wiertz, Bisschop van Roermond, bij de Plechtige Geloften van Zr. Maria Veronica, Kanunnikes van het H. Graf, in de basiliek van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus te Sint Odiliënberg op zaterdag 16 april 2016.

Inleiding

Het is feest in Priorij Thabor. Vandaag spreekt Zuster Veronica Charmuszko haar eeuwige gelofte uit als Kanunnikes van het heilig Graf.

Deze priorij sluit aan bij de Orde van het Heilig Graf, die in 1099 in Jeruzalem werd gesticht. De Orde verspreidde zich snel over Noord- en West-Europa en kwam in de 15de eeuw in het bezit van de kerk en kerkberg van Sint Odiliënberg. Vanwege turbulente tijden, maar vooral door de Franse Revolutie, kwam het kloosterleven in de verdrukking. Maar de oude monastieke traditie werd in 1888 hier op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van pastoor Michael Willemsen. Hij stelde zijn pastorie op de kerkberg ter beschikking aan een kleine communiteit, afkomstig uit het Heilig Grafklooster in het Belgische Bilzen. Maar de zelfstandigheid verliep moeilijk. Van 1911 tot 1966 was het klooster van Sint Odiliënberg filiaal van het Heilig Grafklooster van Turnhout.

Onder de bezielende leiding van Eerwaarde Moeder Maria Matthea zaliger verwierf het klooster opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.

De liefde van God voor de mensheid beantwoorden de kanunnikessen door zich gedurende de hele dag vaak tot God te wenden in liturgisch en persoonlijk gebed. En door Hem te danken voor de schepping en de instandhouding ervan en voor zijn liefde tot iedere mens afzonderlijk. In het bewustzijn dat Jezus Christus – als Zoon van God – de mensheid heeft verlost van zonde en dood, en dat God zich in Jezus aan ons heeft getoond, wilt u – zusters – Jezus’ leven, lijden, sterven en verrijzen uit de dood steeds in uw gebed overwegen en ook in het dagelijkse leven Jezus navolgen.

Evangelisch leven betekent voor u bidden námens de wereld en vóór de wereld; en naar vermogen klaar staan voor al degenen die aankloppen aan de kloosterpoort om een beroep te doen op uw hulp.

Aan de kloostergemeenschap wilt u – Zuster Veronica – zich binden en trouw beloven, uw leven lang. Zo trouw aan de Heer, zoals de Heer trouw is aan ons. Moge de genade Gods aanvullen wat ons als mensen in zwakheid ontbreekt. Belijden we daarom onze schuld.

1e Lezing: Gen. 12, 1-4a

Evangelie: Joh. 6, 60-69

7

Homilie

Het is feest hier in Priorij Thabor. De ligging van de Priorij boven op deze kerkberg doet ons ook denken aan de berg Thabor in het Noorden van het Heilig Land Israël. Deze berg is voor ons de plek van de gedaanteverandering en de verheerlijking van de Heer. Ook daar was er vreugde en feest. De verheerlijking wordt immers gezien als aankondiging van Jezus’ verrijzenis. Via de Oosters-orthodoxe Kerk werd deze feestdag ook verspreid in de Latijnse Kerk en als een feest gevierd op 6 augustus. Ook wordt elk jaar het evangelie van de Verheerlijking op de Berg voorgelezen op de 2e zondag in de veertigdagentijd. Vele iconen geven het verhaal weer en helpen ons bij het mediteren over dat bijzonder moment, waarin aarde en hemel even met elkaar versmolten. Voor die bijzondere aandacht voor de gebeurtenissen op de berg Thabor moet in het evangelie alle aanleiding te vinden zijn. De verheerlijking op de berg lijkt een momentopname. maar om de betekenis goed te begrijpen, moeten we stilstaan bij zowel de gebeurtenissen die eraan vooraf gingen als bij het vervolg ervan. Midden in de vlakte in Noord-Israël ligt daar deze berg als een reuzenmolshoop. Het kan niet anders dan dat die berg steeds een aantrekkingkracht op mensen heeft uitgeoefend. Zij konden er niet alleen genieten van een wijds uitzicht over de hele vlakte, Maar de berg was ook een plek, die hen dichter bij de hemel bracht. Op zo’n bergtop komen mensen ook eerder onder de indruk van de schoonheid van de schepping. Daar voelen ze de spontane neiging om de Schepper, om die schoonheid te bewonderen, te danken en te aanbidden. Het is dus niet zo verwonderlijk dat Jezus met enkele leerlingen deze berg bestijgt en – daar aangekomen – de tijd neemt om te bidden.

Bidden is voor ons niet altijd even gemakkelijk. Ook voor kloosterlingen niet. Voor Jezus daarentegen is het gebed een vast onderdeel van zijn dagorde. Hij kan haast niet anders dan bidden. Het is zelfs zijn eerste natuur. Hij heeft een voortdurend verlangen om zijn leven te beleven in een aaneengesloten geestelijke uitwisseling met de hemelse Vader. Jaloers hebben de apostelen vaak gezien hoe Jezus tijdens het gebed haast in extase raakte. Daarom hebben zij Hem al eens gevraagd: “Heer, leer ons ook zo te bidden?” En Jezus leert hen het Onze Vader: Zijn persoonlijk gebed, en het gebed dat alle christengelovigen met elkaar verbindt en waarin zij hun eenheid met de Heer kunnen uitdrukken en samen met Hem bidden.

koorgebed-basiliek-2 (1)

Deze kloostergemeenschap van de priorij Thabor stelt zich eveneens ten doel om zoals de berg Thabor een plek van gebed te zijn. Ze wil zich verenigen met de Heer en ook de mensenliefde van God, die in Jezus in ons midden is gekomen, overwegen en uitdragen. Ze wil die levensweg van Jezus nagaan: van geboorte tot verrijzenis en zending van de heilige Geest. Ze wil God daarvoor danken en ook ervan leren.

Kloosters dienen altijd plaatsen van gebed en aandacht voor mensen te zijn. De lofzang Gods mag nooit verstommen. Door de eeuwen heen hebben kloosterlingen daarvoor gezorgd en daarom horen kloosters bij de Kerk. Kloosters zijn ook te beschouwen als plaatsen van plaatsvervangend gebed. Uit liefde voor de niet of niet meer biddende mensen, bidt de kloosterling en dankt God om zijn barmhartigheid. Bidden is daarom ook steeds een vorm van mensenliefde en barmhartigheid. Maar de kloosterpoort is ook een plek voor werken van barmhartigheid, waar in menselijke nood voorzien wordt.

In het leven van Jezus volgt de verheerlijking op de Berg Thabor op het gesprek van Jezus met zijn leerlingen op de weg van Caesarea van Philippus. Wij kunnen de Verheerlijking niet begrijpen, zonder het verband met dat gesprek te zien. Het gesprek tussen Jezus en zijn vrienden wordt in de exegese aangeduid als de Galileïsche crisis. Die volgde op de Galileïsche lente. Daarmee wordt de eerste fase van Jezus’ openbaar leven bedoeld. Jezus wordt weliswaar met argwaan bejegend en in de synagoge van Nazareth zelfs pijnlijk afgewezen. Maar desondanks kun je bijna spreken van een zegetocht van Jezus rond het Meer van Galilea.

035 bij tekst 015

We lezen hoe Jezus na de doop in de Jordaan en na een kort verblijf in de woestijn aan het meer aan zijn openbaar leven is begonnen. Hij heeft daar op een helling de Bergrede uitgesproken, die 20 eeuwen later nog altijd als een bijzondere Waarheid geldt. Ook de mensen van toen bespeurden de oorspronkelijkheid van Jezus’ toespraak en prezen Hem als iemand die een natuurlijk gezag uitstraalde. Ze voelden hoe Jezus op een nieuwe wijze wetten uitlegde, maar ook bespeurden ze hoe Hij hun leven ter sprake bracht. Jezus sprak met een bijzonder gezag.

Grote menigten trokken daarom uit om die Blijde Boodschap te horen, zodat Hij in een bootje moest stappen om hen te kunnen toespreken. Jezus heeft zijn Blijde Boodschap verder nog onderstreept met bijzondere tekenen. Hij liet lammen lopen, blinden zien en doven horen. Met vijf broden en twee vissen voedde Hij de menigte. Maar Jezus had ook gemerkt dat het enthousiasme van de mensen maar kortstondig was. Strovuurtjes, hypes.

Natuurlijk wilden ze Hem na de wonderbare spijziging tot koning uitroepen. Zo’n broodtovenaar zou hun leven heel wat zorgelozer maken, maar dat is niet wat Jezus voor hen wil zijn.

christus koning

Als Hij dat uitlegt in de eucharistische rede uit het zesde hoofdstuk van het Johannesevangelie – dat we deze week hebben gelezen – in hun reactie: “Die taal stuit ons tegen de borst.” Ze keerden zich van Hem af en gingen weer over tot de orde van de dag. Aan een Jezus die zichzelf het ‘Brood des levens’ noemt dat elke honger stilt, hebben ze geen behoefte. Het is voor Jezus een teleurstelling. Vandaar dat Hij zijn vrienden vraagt: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Hebben Jezus’ wijze woorden met de tekenen die zijn woorden vergezelden, hen niet aan het denken gezet: “Wie is deze Jezus, dat Hij dit doen kan? Wie is Hij, dat Hij zo spreken kan?” Daarom ook de vraag: “Wie zeggen jullie dat ik ben?” Eerst beginnen de leerlingen maar wat te raden: “Mozes soms of Elia of één van de profeten.” Maar dan zegt Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Waarop Jezus het antwoord bevestigt. Maar de verwachting van Petrus worden onmiddellijk door Jezus getemperd en gecorrigeerd. Jezus wil geen koning zijn volgens de verwachting van Petrus, geen koning te paard met een aards rijk. Jezus legt uit dat Hem afwijzing te wachten staat en zelfs een terechtstelling. Maar Hij kiest liever de afwijzing dan de populariteit van een broodtovenaar. Liever de afwijzing dan een populistische redenaar te worden. Zijn taak is het om de hemelse Vader te dienen en Zijn wil te doen, met de inzet van heel zijn leven tot in de dood.

Het kan niet anders dan dat de leerlingen teleurgesteld zijn na de aankondiging van het lijden. Verontwaardigd roept Petrus Jezus terecht. Maar Jezus heeft voor hem geen ander nieuws dan dat Hem afwijzing wacht. Tegelijkertijd begrijpt Jezus de teleurstelling van zijn vrienden. Daarom wil Hij hen bemoedigen en neemt hen mee de berg op. Daar toont Hij hen zijn heerlijkheid.

thabor.schilderijJezus wilde niet dat de apostelen door de aankondiging van Zijn lijden in totale verwarring zouden raken. Hij wilde bewerken dat de apostelen in dat pijnlijke gebeuren van lijden en dood de daarop volgende verheerlijking voor ogen zouden houden. Hij wilde dat ze Hem zouden blijven zien als de verheerlijkte Zoon van de hemelse Vader. Jezus wilde bewerken dat in het uur van de grote beproeving de leerlingen toch hoopvol zouden blijven, vanwege de nieuwe werkelijkheid die na zijn kruisdood zal aanbreken.

In de prefatie van de feestdag van de Verheerlijking op 6 augustus bidden wij: “Want de ergernis van het Kruis mocht de leerlingen niet doen twijfelen en hun geloof niet doen wankelen.” En de prefatie van de tweede zondag in de vastentijd leert ons: “Zo moest blijken, dat lijden en sterven voert tot de heerlijkheid van de verrijzenis.” Jezus wil hen duidelijk maken dat in Jeruzalem niet alleen een terechtstelling zal plaats vinden. Maar dat de totale overgave in de kruisdood de opstap is naar de verrijzenis. Naar de overwinning op de dood en naar de vergeving van de zonden. Daar wordt het Godsrijk werkelijkheid. Jeruzalem is de plaats waar de aarde weer met de hemel verzoend zal worden. Daarvoor is God in Jezus mens geworden. Tot die verzoening met God waren wij, mensen, niet in staat. Daartoe was de totale overgave in de kruisdood van Jezus nodig en de opstanding is het teken van de overwinning.

12

U vormt samen de priorij van Kanunnikessen van het heilig Graf. Het heilig Graf wordt op de Berg reeds geduid door de verheerlijking. En we weten dat deze duiding van het heilig Graf waarheid geworden is in de gebeurtenissen die volgden op de graflegging. Hij verscheen in hemelse Heerlijkheid aan zijn vrienden en brak met hen het Brood. Tenslotte liet Hij zijn Geest over hen neerdalen.

De Verheerlijking is een indrukwekkende gebeurtenis. De apostelen zijn volledig overweldigd. “Laten wij hier drie tenten bouwen,” roept Petrus enthousiast uit. “Dit moet altijd zo blijven. Deze ervaring van zaligheid mag niet meer ophouden!” Deze ervaring van zaligheid is wat in de Bergrede al door Jezus wordt aangeduid in de zaligsprekingen. Het is moeilijk vertaalbaar, want het verwoordt het hemelse geluk, waarvoor we geen woorden hebben. Die ervaring van zaligheid veronderstelt steeds de trouw aan de Heer zoals Hij trouw is geweest aan ons.

Toen de menigte zich in het evangelie van Jezus afkeerde, vroeg Jezus aan zijn vrienden: “Willen jullie soms ook gaan?” Maar Petrus antwoordde: “Heer, naar wie zouden wij gaan?” Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt. Jezus is onze zaligheid.

Elke kloosterling die intreedt, moet de worsteling aangaan die Petrus ondergaat. Er kan zoveel zijn, dat ons probeert weg te trekken bij de Heer vandaan. Opmerkelijk is dat de Heer dan niet claimt, geen beslag legt op onze vrije wil, maar daarentegen een verlangen in ons wakker roept: “Heer, naar wie zouden wij anders gaan dan naar U.”

Graag wens ik u – Zuster Veronica – toe dat u hier in de priorij Thabor iets van die hemelse zaligheid mag ervaren, zoals de apostelen deze ervoeren op de berg Thabor. Ik wens u toe dat u zich gedragen kunt voelen door de liefde van de Heer, die zich als de Verheerlijkte ook in uw leven wil openbaren. Dat u altijd weet dat de Heer trouw is en dat er geen beproevingen zijn die de Heer niet met u mee wil dragen. Hijs is immers trouw. Hij is de Verrezene. Ik wens u toe dat u en uw medezusters aan de mensen die het klooster bezoeken of met u in gesprek gaan, iets kunt overdragen van de vreugde van de Thabor, die ons bemoedigt en ons altijd doet hopen dat na dagelijks leven, met zijn pijnen en teleurstellingen, ons eens de verrijzenis wacht. Dat u daarom in de worstelingen die niemand bespaard blijven, altijd kunt zeggen: “Heer naar wie zou ik anders gaan dan naar U.”

Amen.

1 2 3