Heilige stilte

051 bij tekst 027

 

De moderne mens heeft dikwijls een actieve inslag en voelt zich al snel gericht op handelen; lopen, staan, zitten, spreken en luisteren. Zo is het in het dagelijks leven, zo lijkt het ook wel eens te zijn in de eredienst. Is het stil, wordt er niet gesproken en is er geen taak te verrichten, dan lijkt het wel alsof wij ons ongemakkelijk gaan voelen en de stilte gaan zien als een wellicht zelfs hinderlijke onderbreking van de liturgische handeling.

Toch is juist deze heilige stilte bij uitstek bedoeld om te komen tot innerlijke stilte, een ongestoord zich richten op God en al wat daarbij hoort; ons bidden is immers een antwoorden op Gods stem en dat vraagt dat wij ons innerlijk daartoe openstellen.

God te loven en tot Hem te bidden

De Kerk spoort ons in de inleiding op het Romeins missaal aan om de heilige stilte te beoefenen bijvoorbeeld in de uitnodiging tot de schuldbelijdenis of gebed om tot inkeer te komen, na de lezing of de preek om het aanhoorde te overwegen en na de communie om “God te loven en tot Hem te bidden”. Als wij werkelijk proberen tot die innerlijke stilte te komen, dan zullen wij ontdekken dat niet wij maar God degene was die in het gebed -ons gesprek met de Heer- als eerste heeft gesproken en dat blijft doen.