2e pijler: Kanonikaal leven waarin de liturgie centraal staat

De tweede pijler waarop onze spiritualiteit steunt is de vita canonica, het kanonikale leven, eigen aan kanunniken en kanunnikessen . Het is een levenswijze die vanaf de vroegste christentijden vanuit de Kerk is gegroeid en die als zodanig geen eigen stichter of initiator heeft.

Kanunniken is de naamgeving voor geestelijken die, deel uitmakend van een kapittel (bestuurscollege) van een kathedraal, basiliek, stiftskerk of kloosterkerk, dagelijks de gemeenschappelijke liturgie vieren, dat is de viering van de H. Mis en het Getijdengebed, waartoe alle priesters individueel of in gemeenschap zijn gehouden. Hun taak werd omschreven in zogenaamde ‘canones’ (kerkelijke regels). Kanunniken, ook koorheren genoemd, leven in gemeenschap.

De eerste kanunnikenregel

Twee beelden in Priorij Thabor van de twee meest representatieve heiligen van het kanonikale leven: St. Jacobus de Mindere: Als eerste bisschop van Jeruzalem is hij de representatief voor het apostolische leven van de eerste christenen. St. Augustinus: hij schreef de Regel welke wordt onderhouden door de Kanonikale Orde van het H. Graf sinds 1114.

Twee beelden in Priorij Thabor van de twee meest representatieve heiligen van het kanonikale leven: St. Jacobus de Mindere: Als eerste bisschop van Jeruzalem is hij de representatief voor het apostolische leven van de eerste christenen.
St. Augustinus: hij schreef de Regel welke wordt onderhouden door de Kanonikale Orde van het H. Graf sinds 1114.

Bisschop Chrodegang van Metz + 766, voerde in zijn bisdom de Romeinse liturgie en zang in, het gemeenschap-pelijk leven voor de geeste-lijken van zijn kathedraal en schreef een speciale regel voor hen, de Regula Canonicorum (755), later bekend als de Regel van Chrodegang. Deze regel bevatte elementen van de Regel van Sint Augustinus, die afgegrensd van de specifiek voor monniken bestemde Regel van Sint Benedictus , gebaseerd is op de aposto-lische levenswijze en het voorbeeld van de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem (Hand 2,42-47; 4,32-35). Daar spiegelde Augustinus zich graag aan en deze levenswijze zag hij als ideaal: een vorm van samenwerking en samenleven van bisschop met zijn geestelijken in de woning van de bisschop als huisklooster. Dit gemeenschapsleven werd ordo canonicus genoemd. Op de Rijkssynode van Aken in 816 werd de Regel van Chrodegang bindend voor de kapittels van kanunniken van heel het Karolingisch Rijk (“Akense regels”).

Van seculier naar regulier

Onder invloed van de Gregoriaanse Hervorming in het midden van de 11e eeuw werden de kathedrale kapittels van seculiere tot reguliere kapittels omgevormd. Het teruggrijpen op de volmaakte armoede zoals Christus het als ideaal aan zijn apostelen leerde en de sterkere binding aan het apostolisch leven – de vita apostolica – van de eerste christenen in Jeruzalem als voorbeeld met name op het punt van het afstand doen van alle persoonlijk bezit en eigendom, betekende een breuk met de “Akense regels” van 816 en de aanvaarding van de Regel van Sint Augustinus in zijn gematigde vorm: het Præceptum. Deze groeperingen van kanunniken werden “regulares” – “regulier” – genoemd terwijl de kapittels die genoemde Regel niet aannamen en het armoede-ideaal niet strikt doorvoerden “sæculares”, – “seculier” bleven.

Taakomschrijving

Als een eerste aangewezen taak beschouwden de reguliere kanunniken het publieke koorofficie of getijdengebed, mét de bisschop en namens de Kerk. Het koorofficie zelf werd bovendien beschouwd als een apostolische dienst: dat was dé prediking, dé catechese bij uitstek. Een tweede taak was de beoefening van de gastvrijheid: in contact met de wereld kon men in deze dienst de christelijke naastenliefde betonen. Een derde opdracht was het geven van onderwijs (geloofsonderricht daaronder begrepen) aan een zogenaamde kapittelschool.

Kanunnikenkapittel van de H. Grafkerk van Jeruzalem

018 bij tekst 006Toen hertog Godfried van Bouillon in 1099, na de verovering van Jeruzalem door de kruisvaarders, in de Kerk van het Heilig Graf een Latijns kapittel van 20 kanunniken – canonici ecclesiæ gloriosissimi Sepulcri – (kanunniken van de kerk van het glorierijke Graf) oprichtte voor de dienst in de H. Grafkerk, was dit een seculier kapittel. In het kader van de Gregoriaanse hervorming werd dit kapittel in 1114 door patriarch Arnulphus de Choques omgevormd tot een regulier kapittel onder de Regel van Sint Augustinus. Op deze Regel en de Statuten van de Reguliere Kanunniken van de Orde van het H. Graf legden de leden van het kapittel hun religieuze professie af. Zij verbonden zich tot gehoorzaamheid, armoede en kuisheid – een ‘renovatio’ de hoge rang van hun titelkerk waardig – en leidden een gemeenschappelijk leven onder leiding van de patriarch of van zijn plaatsvervanger, de prior van het kapittel.

Taken

Gebonden aan de kerk van het Heilig Graf zagen zij als hun taken in dezelfde lijn als die van andere kanunnikenkapittels, maar nu in de bijzondere, specifieke omgeving van de H. Grafkerk in het H. Land, de materiële plaats van de Dood en de Verrijzenis van Christus genoten zij het unieke voorrecht de wacht te houden bij de meest waardevolle Relieken van de christenheid : het Graf en het Kruis van de Heer. Deze opdracht, in navolging van de Engel op Paasmorgen, bepaalde dan ook de andere taken en de spiritualiteit van het kapittel van de H. Grafkerk, voor de christenen immers centrum van bijzondere geestelijke geloofsbeleving, uitstraling en aantrekkingskracht.

Tot die taken behoorden de viering van de liturgie: H. Mis en getijden, de gastvrijheid bij de opvang van de vele pelgrims inclusief de zorg voor de armen alsook het geven van onderwijs en het in stand houden van een koorschool. Naast deze geestelijke taken was ook de materiële zorg voor de H. Grafkerk hen toevertrouwd en van alles wat tot een goed beheer daarvan strekte.

Vroege kanunnikessen

032 bij tekst 013In welke mate vrouwen de kanunniken van het H. Graf bij de vervulling van hun taken terzijde stonden is nog niet tot in detail opgehelderd. Uit de historische bronnen staat in ieder geval vast dat bij de H. Grafkerk van Jeruzalem, evenals bij andere kerken van de orde ook vrouwen met “crux” en “habitus ordinis” – met het dubbele kruis en het habijt van de orde – werden geïnstalleerd om binnen een eigen ruimtelijk verband onder een gezamenlijke overste met de kanunniken een apostolisch leven te leiden.

De levenswijze en de spiritualiteit van de kanunnikessen van de H. Grafpriorijen en -kloosters die in Europa werden opgericht, waren naar het voorbeeld van hun geestelijke broeders, de kanunniken van het H. Graf ingericht. Bij hun inkleding en religieuze professie namen zij met dezelfde woorden als hun medebroeders een leven van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid op zich volgens de Regel van Sint Augustinus en de Constituties van de H. Graforde. Ook zij namen de verplichting op zich van een leven van gebed – het koorgebed – dag en nacht, en werden bij bepaalde kloosterlijke bedieningen ondersteund door lekenzusters. De liturgie in de vrouwenkloosters richtte zich vanzelfsprekend naar de voorschriften van de Latijnse ritus van de H. Grafkerk in Jeruzalem met de verering van de lijdende en verrezen Christus in het centrum. Om deze kern van hun spiritualiteit levendig te bewaren en effectief te beleven voorzagen zij hun kloosterkerken van kopieën van het H. Graf.

Sint-Odiliënberg

Op 7 september 1437 was het kerk- en kloostercomplex te Sint-Odiliënberg geschonken aan de orde van het H. Graf onder voorwaarde dat er een klooster van reguliere sepulcrinessen (kanunnikessen van het H. Graf) gesticht zou worden. Dat die plannen werden gerealiseerd en in Sint Odiliënberg het eerste vrouwenklooster (1443-1445) van deze orde in de Nederlanden werd gesticht, staat vast op grond van historisch onderzoek. Nadat dit klooster teniet was gegaan door gebrek aan levensvatbaarheid heeft Jan van Abroek, prior van de aldaar opgericht priorij voor kanunniken van het H. Graf (1467-1639), een volgende poging doen om een vrouwenklooster te stichten. Op 8 oktober 1480 legden te Sint Odiliënberg drie zusters hun kloostergeloften af voor Jan van Abroek als vertegenwoordiger van de orde en werden drie postulanten ingekleed. Daags daarna betrok het zestal het klooster “O.L.Vrouw van Jeruzalem” in Kinrooi. Van hieruit zouden de vrouwenkloosters zich verder verspreiden over Noord-West Europa.018-a bij tekst 006

Anno 2014 – negenhonderd jaar na het aanvaarden van de Regel van Sint Augustinus door het H. Grafkapittel van Jeruzalem – blijft het kanonikale ideaal van vitale betekenis, ook in de toekomst. Welk ander wezenlijk antwoord op het mysterie van lijden en kwaad, op het tumult en de onrust in de wereld alsmede op de nood van de individuele mens is er uiteinde-lijk dan de Boodschap van de lijdende, gestorven en verrezen Heer Jezus Christus?

In Priorij Thabor staat de beleving van het Paasmysterie in het leven van de reguliere kanunnikessen nog altijd centraal, gebaseerd op dezelfde Regel en op de Constituties. Levend vanuit de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid en verankerd in het apostolisch leven van gebed en gemeenschap van goederen, pogen zij dagelijks in de H. Eucharistie het getijdengebed en concrete dienstbaarheid voor God te leven in waarheid en oprechtheid en Hem lof te zingen, ‘scientes Christus resurgens ex mortuis, iam non moritur’ (Rom 6,9) – wetend dat Christus eenmaal uit de doden verrezen, niet meer sterft.

Geraadpleegde literatuur

Zr. M.Hereswitha CRSS, De Priorij van de Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf te Sint-Odiliënberg (1467-1639. Overdruk uit: Augustiniana, XXI (1971) pp. 267-320,725-769, Heverlee-Leuven, p. 284-285.

Zr. M. Matthea CRSS, Beknopte inleiding op geschiedenis en spiritualiteit van de H.Graforde en Priorij Thabor. Sint Odiliënberg, 1976, pp. 26-31. Niet in de handel.

Dr. C.A.A. Linssen, Pastoor M.A.H. Willemsen van Sint Odiliënberg 1831-1904. Een schets van leven en werken. Overdruk uit: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 128 (1992), 121-184, p. 170.

Zr. Imelda Brenninkmeijer, Vieren en gedenken van het Paasmysterie in de liturgie van reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf. Tijdschrift voor Liturgie, 82 (1998) 137-146.

Prof. Dr. Dr. K. Elm, Die Frauen vom Heiligen Grab. Weibliches Religiosentum und laikale Frauenfrommigkeit im Dienste des Heiligen Grabes, in Kaspar Elm, Umbilicus Mundi. Beiträge zur Geschichte Jerusalems, der Kreuzzüge, des Kapitels vom Hlg. Grab in Jerusalem und der Ritterorden. Reeks: Instrumenta Canonissarum Regularium Sancti Sepulcri, VII, Sint-Kruis (Brugge) 1998, pp. 220-227 en 237.

Jean Châtillon, Le mouvement canonial au Moyen Age. Réforme de l’Église, spiritualité et culture. Étude réunies par Patrice Sicard. Série: Bibliotheca Victorina. Subsidia ad historiam canicorum regularium investigandam, edenda curaverunt R.Berndt, P.Gautier Dalché & P.Sicard moderante Luc Jocqué, Vol. III. Brepols Pais-Turnhout, 1992.

 ADDENDUM

033 bij tekst 013

 

Qui bene cantat bis orat”

In de kloosters van de H. Graforde werd het Opus Dei of koorgebed gereciteerd of gezongen volgens de Latijnse ritus van de H. Grafkerk. Deze ritus bestond uit Gallo-Romeinse elementen, aangevuld met locale gebruiken. De gregoriaanse zangtraditie was hierbij vooral bepalend 1.

Op natuurlijke wijze gegroeid uit de christelijke geloofsbeleving en gebedspraktijk geldt voor deze zangtraditie het Latijnse gezegde: “Lex orandi , lex credendi” – letterlijk: de wet van het gebed is de wet van het geloof – dat wat men gelooft wordt verwerkt in het gebed en terug God aangeboden en zoals men bidt gelooft men ook, of anders gezegd: in de manier waarop christenen God aanbidden worden de identiteit en de zending van de katholieke Kerk uitgedrukt. Soms heeft dit gezegde nog een uitbreiding als een voor de hand liggende consequentie: “Lex orandi , lex credendi, lex vivendi”: zoals we bidden, geloven we en leven we ook; dat is de praktijk van de boodschap van het Evangelie.

Het eigen en sacrale karakter van de gregoriaanse zang wordt bepaald door éénstemmigheid of unisoniteit (diverse stemmen zingen dezelfde klank), de afwezigheid van een vast metrum (maat) en het samengaan van tekst en melodie. Aan de groei vanuit de christelijke zangtraditie en het gebruik binnen de goddelijke eredienst ontleent deze zang haar sacraliteit.

De tekst ontleend aan de H.Schrift en uit de christelijke verwerking daarvan in de liturgie vormt het uitgangspunt waarbij de melodie de tekst verinnigt, versiert, verklaart, vertolkt en ‘kleurt’ al naar gelang de inhoud, de plaats in de liturgie en binnen de liturgische cyclus van het liturgisch jaar. Gregoriaans is gezongen gebed dat de beweging van de ziel naar God uitdrukt. Het is terughoudende, meditatieve muziek, in de regel eenvoudig, soms rijker versierd en in alle gevallen krachtig, die zich richt op het centrum van de liturgie: de viering van de goddelijke Mysteries en Heilsboodschap. Het gregoriaans is ook een deur naar de innerlijke beleving van deze mysteries die met het verstand nooit zullen kunnen worden bevat. De gregoriaanse melodieën kunnen gemakkelijk door het gemoed worden opgenomen en dit ontvankelijker maken voor het Woord van God dat daardoor ook beter kan worden vastgehouden. Als muziek de mens al kan optillen tot mensoverstijgende dimensies, het gregoriaans bereidt door zijn verstilde harmonie voor op het contact met de Eeuwige. Als mensen zeggen: “Gregoriaanse zang brengt rust”, ervaren ze ongetwijfeld grotere rust in hun ziel.

Het gregoriaans is naar zijn aard onlosmakelijk verbonden met de eredienst en kan dus niet

gecommercialiseerd worden, ook al gebeurt dat af en toe wel.

Gregoriaans op de Kerkberg

De zang- en muziektraditie op de Kerkberg van Sint-Odiliënberg heeft diepe wortels in de geschiedenis. Zeker vanaf 1132 bestond hier een kapittelschool, een soort jongensschool, waarvan de leerlingen, chorales genoemd, onder meer een speciale muziek- en zangopleiding kregen. Voor hun zang en diensten in de kerk ontvingen zij op hun beurt gratis onderwijs2.

Met het vertrek van het Sint Petruskapittel naar Roermond in 1361 verstomde de lofzang op de berg niet maar werd in de 15e eeuw voortgezet door Jan van Abroek die ter plaatse een priorij stichtte voor kanunniken van het Heilig Graf. Uit de Statuten blijkt dat de priorij was opgericht “propter chorum”, omwille van het koorgebed, dat betekent dat de liturgievieringen met de conventsmis als centrum heel de dagorde beheersten, zowel door de week als op zon- en feestdagen, vanaf het opstaan tot het slapen gaan. Kortom, de getijden worden tot op de dag van vandaag gezongen of gereciteerd. Daarmee beantwoordden de Heilig-Grafkanunniken aan het eerste doel van hun Orde: “God loven en danken voor de weldaad van de Verlossing en de glorie van de Verrijzenis van Jezus Christus bezingen”3.

De kanunniken besteedden een deel van hun tijd tussen de dagelijkse H. Mis en de getijden in de kloosterkerk aan werkzaamheden in de kloosterschool of schola cantorum, waar de jongeren onderricht en opvoeding ontvingen. Dit waren de postulanten en novicen, mogelijk ook andere jongens, aspiranten uit Sint Odiliënberg, die fungeerden als misdienaars of meezongen in het kanunnikenkoor.

Antifonarium van de reguliere kanunniken van het Heilig Graf. Ms. XV s., f .1;Archief Priorij Thabor, Sint Odiliënberg

Antifonarium van de reguliere kanunniken van het Heilig Graf. Ms. XV s., f .1;Archief Priorij Thabor, Sint Odiliënberg

Een kloosterinventaris uit 1481 somt dan ook onder andere de boeken op die hiervoor werden gebruikt: zeven missaals, tien psalteria, een passionale, een antifonarium en zes kleine breviers 4 .Van deze collectie is een handgeschreven Antifonarium bewaard gebleven: in gotisch boekschrift met muzieknotatie in hoefnagelschrift op notenbalken met vier (rode) lijnen en met twee sleutels. De liturgie was die van de H.Grafkerk te Jeruzalem met elementen van de Gallicaanse en Romeinse ritus. Het zangboek bevat een Temporale (Tijdeigen) en een Sanctorale (Eigen van de Heiligen). Opmerkelijk, maar niet verrassend, opent het Temporale met de gezangen van het Paasfeest.

Zoals in de mannenkloosters van de H. Graforde werden ook in de kloosters van de kanunnikessen van het H.Graf die vanuit Sint Odiliënberg als bakermat zijn gesticht de H. Mis en de getijden gezongen.

Na het Concilie van Trente (1545-1563) werd voor het Getijdengebed het Romeinse brevier ingevoerd en voor de zang het gregoriaans. De eigen feesten van de H.Graforde werden toen gebundeld in een zgn. Proprium (“Eigen van de orde”).

Pastoor Michael Willemsen van Sint Odiliënberg (1878-1904) installeerde in 1888 met het oog op katholiek lager onderwijs voor meisjes kanunnikessen van het Heilig Graf vanuit het Belgische Bilzen in zijn eigen pastorie op de Kerkberg. Het zuidelijk transept van de kerk bestemde hij als ruimte voor hun getijdengebed. In 1895 stelde hij voor de communiteit van Sint Odilienberg een supplement van het Missale Romanum samen met eigen misformulieren van enkele liturgische feestdagen van de eigen kalender waarbij de gezangen werden geput uit het gregoriaans repertoire.

Voor de communiteiten die volgden bleef de beleving van de Romeinse liturgie met het Latijn als liturgische taal een centrale plaats innemen mét de gregoriaanse zang die eigen is aan deze liturgie. Deze gewoonte is opnieuw vastgelegd in de door de H.Stoel goedgekeurde constituties van de priorij (1982).

Hiermee sluit de gebedstraditie van de priorij Thabor aan bij de wens van het 2e Vaticaanse Concilie in de Constitutie over de H.Liturgie – Sacrosanctum Concilium, dat de schat van de gregoriaanse zang, die eigen is aan de Romeinse liturgie en die de traditie tot in onze tijd heeft doorgegeven met zorg bewaard en op passende wijze in gebruik dient te blijven (cf. nrs. 114 en 116)5.

Het is een onuitsprekelijk geluk vóór Gods aanschijn te staan en Hem in naam van de Kerk, in naam van alle gelovigen het gebed en het offer van de Heer Jezus aan te bieden. De genade die door dat gebed en offer neerdaalt over de wereld kan alle duisternis verlichten en alle stormen bedaren. De liefdevolle aantrekkingskracht van Christus kan alle negatieve beïnvloeding overwinnen. In de zekerheid dat God de weg heeft bepaald kan dan rustig een lof- en danklied opstijgen te midden van geestelijke storm. Het zal die storm overstemmen en overleven omdat het doortrilt in de eeuwigheid”6.

Bidden in het Latijn is geen drukkende last maar blijmoedig de eigen stem voegen in de lofzang van God, gegroeid en gedragen door eeuwenlang gebed. “Qui bene cantat bis orat” – “Die goed zingt bidt dubbel”, is immers een gevleugeld begrip, afgeleid uit het Commentaar van Sint Augustinus van Hippo op Psalm 72,1: “Qui enim cantat laudem, non solum laudat, sed etiam hilariter laudat7.

Want wie Gods lof zingt, prijst Hem niet alleen, maar looft ook met een blij hart en gemoed.

1 Cristina Dondi, The Liturgy of the Canons regular of the Holy Sepulchre of Jerusalem. A study and a catalogue of the manunscript sources.Collectie: Bibliotheca Victorina XVI, Brepols, Turnhout 2004, Introduction, p. [23] sqq.

2 Cf. M.Willemsen, Codex diplomaticus Bergensis (Roermond 1886) nr.33, 5.III.1361: vermelding van chorales, leerlingen die voor hun diensten onder meer onderwijs kregen. Dit kapittel is vanaf 1132 bewijsbaar. Zie: J. Linssen, Waren de graven van Gelre voogden van St. Odiliënberg; De Maasgouw 75 (1956) 80.

3 Les Constitutions de l’Ordre du Saint-Sépulcre, Luik, 1631, p. 2.

4 Cf. Zr. M.Hereswitha CRSS, De Priorij van de Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf te Sint-Odiliënberg (1467-1639. Overdruk uit: Augustiniana, XXI(1971) pp. 267-320,725-769, Heverlee-Leuven, p.728-729.

5 Constituties en Decreten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie. De Ark, Leusden, 1986, p. 31.

6 Citaat van Moeder M. Matthea CRSS +, oud-priorin, bidprentje uitgegeven bij haar uitvaart 3.9.2013.

7 S. Aurelii Augustini In psalmum LXXII Enarratio. Sermo. Enarrationes in psalmos, LI-C, Corpus Christianorum, XXXIX, Brepols Turnhout, 1956, p. 986.